Home » Media » Drukwerk, de terminologie

Drukwerk, de terminologie

Auteur: | Geplaatst in Media

Kennis van het grafisch productieproces is niet alleen belangrijk voor grafische vakmensen. Ook voor marketing- en communicatieprofessionals is deze kennis belangrijk voor hun dagelijkse werk. Communicatiecoach.com heeft een aantal veelvoorkomende grafische termen verzameld, die je in dit servicedoc kunt vinden.

Aanspatiëren: De letter-tussenruimte wordt vermeerderd met een aantal eenheden.

Absorptievermogen: De eigenschap van papier of karton om vloeistoffen op te nemen en vast te houden.

Afbreken: De zetapparatuur breekt automatisch woorden aan het eind van een regel, via en aantal regels en uitzonderingen. Verkeerd afgebroken woorden moeten met de hand worden gecorrigeerd.

Aflopend drukken: Vlakken, foto’s of lijnen raken de buitenrand van het drukwerk, deze moeten dan in het beeld worden aangesneden, op het drukvel lopen deze beelden 3mm. van het schoongesneden vel af.

Afsnede: Het gedeelte van het drukvel dat na het drukken wordt afgesneden.

Afwerken: Alle handelingen die nadat een vel gedrukt is nog nodig zijn om tot een totaal product te komen.

Afspatiëren: De letter-tussenruimte wordt verminderd met een aantal eenheden.

Auteurscorrectie: Iedere verandering die een auteur in zijn/haar tekst aanbrengt die niet het gevolg is van een fout van de zetter.

Bagetteren: Posters voorzien van metalen of plastic ophangstrips.

Bandzetter: Een boekband van karton met een inlegrug, deze wordt met bekledingsmateriaal aan elkaar verbonden.

Beginkapitaal: hoofdletter aan het begin van een woord.

Binnenwerk: (Het boekblok) Dat deel wat niet tot het omslag wordt gerekend.

Bladspiegel: De stand van de zetspiegel op het papier, met inbegrip van de witruimten cq. de marges.

Boekblok: Een aantal katerns vormen samen een boekblok waar omheen een band of beslag wordt geslagen.

Breedlopend: De vezels in het papier liggen evenwijdig aan de korte zijde van het papier.

Brocheren: Het vervaardigen van boeken en tijdschriften.

Gehecht gebrocheerd: In elkaar gestoken vellen voorzien van twee nietjes.

Garenloos gebrocheerd: Vellen / katerns worden vergaard, vervolgens in de rug gefreesd, gelijmd en met omslag omtrokken.

Garenlas gebrocheerd: Katerns worden stuk voor stuk genaaid en daarna in de omslag gelijmd.

Genaaid gebrocheerd: Katerns worden met garen aan elkaar genaaid en vormen zo een boekblok, daar omheen wordt een band aangebracht m.b.v. schutbladen.

Bijbeldruk: Houtvrij dun, sterk vaak lompenhoudend papier; niet zwaarder dan 40 g/m2.

Cahiersteek: Schriftensteek, zoals vroeger alle schoolschriften waren gebonden, aan de buitenkant is het draad ook zichtbaar.

Cast-coated: Papier voorzien van strijklaag die na op het papier te zijn aangebracht tegen een verhitte, gepolijste cilinder wordt geperst. Hierdoor droogt deze ‘couchelaag’ en krijgt een bijzondere hoge glans.

Centreren: De tekst steeds in het midden van de zetbreedte plaatsen.

Corps (Korps): Lettergrootte + de normale interlinie.

Courantdruk: Houthoudend, machineglad papier voor kranten en ‘wegwerp’boeken.

Diapositief: (Negatief) Witte letters op een zwarte achtergrond.

Duplex foto: Een zwart/wit gerasterde foto met een kleurvlak als achtergrond.

Duplexkarton: Gekoetst karton, van zwaar houthoudend of recycled/grijs basismateriaal met eenzijdig houthoudend of houtvrije, meestal witte deklaag, gestreken of ongestreken.

Duotoon: Een normaal gerasterde foto in één kleur en daar overheen een extra contrastrijk gerasterde foto in een andere kleur.

E.C.F.: (Elementary Chlorine Free) Papier dat gebleekt is zonder gebruik te maken van chloorgas. = milieuvriendelijker.

Effenheid:De mate waarin het oppervlak van papier of karton overeenkomt met een (theoretisch) plat vlak. Hoe gladder het papier bijvoorbeeld MC, hoe mooier de bedrukking wordt. Het gladde papier heeft een dichte oppervlaktestructuur opgevuld door vulstoffen en hierdoor zakt de inkt minder diep in het papier waardoor de kleuren frisser blijven en er een fijnere rasterliniatuur gebruikt kan worden.

Elektronische prepress: Op geavanceerde apparatuur wordt tekst en beeld verwerkt tot complete pagina’s. Werktekeningen zijn overbodig. Op scherm is meteen in kleur te zien hoe het eruit gaat zien.

Gesatineerd Papier: (gekalanderd) Papier dat extra glad is gemaakt door het tussen rollen glad te wrijven. o.a. tijdschriften en reclamedrukwerk.

Gestreken papier/karton: Papier/karton dat is voorzien van één of meer strijklagen van krijt en/of porseleinaarde. Daardoor is het mogelijk er met fijne rasters op te drukken. De strijklaag kan mat, ‘silk’-achtig, glanzend en zelfs hoogglanzend zijn.

Gramgewicht: Benaming voor de massa per oppervlakte van papier, aangegeven in grammen per vierkante meter, aangeduid als g/m2. Deze aanduiding zegt in principe niets over de dikte van het papier (zie opdikking). U kunt dit omrekenen door het gewicht te delen door de lengte en breedte van het papier. bijv.: 5 gram / 0,297 meter / 0,21 meter = 80 g/m2.

Grijperwit: De extra ruimte van een drukvel waaraan de grijper van de pers het papier kan vastpakken.

Grijsbord: Grijskarton van ongesorteerd oud papier, gemakkelijk te scheuren. o.a. onderbord voor bloks.

Halfmat: Gradatie van satinage (satineren), gladheid ook wel ‘silk’ genoemd bij gestreken papier.

Hoerenjongen: Een woord tot ‘halve regel’ die als eerste regel bovenaan een tekstkolom of pagina geplaatst is en eigenlijk het einde van en alinea is .

Houthoudend papier: Papier dat voor een deel, meer dan 10%, uit houtslijp bestaat. Houtslijp is pulp van vezels die nog lignine, kitstoffen (incrusten) en hars bevatten. Dit papier vergeelt vrij snel. De duurzaamheid is minder dan bij houtvrij papier.

Houtvrij papier: Papier dat gemaakt wordt van boomvezels die met behulp van chemicaliën ontsloten en ontdaan zijn van de stoffen die voor een snelle veroudering zorgen.

‘Huis’correctie: De eerste correctie van de ‘vuile proef’ om eventuele zetfouten te achterhalen.

Inspringen: Het aangeven van een nieuwe alinea door zoveel naar rechts te beginnen met de nieuwe alinea als de grootte van het corps, “een vierkantje wit”.

Interlinie: De afstand tussen de regels.

Kapitalen: Hoofdletters.

Karton: Papiermateriaal met een gramgewicht hoger dan 170 g/m2.

Katern: Gevouwen drukvel, van 4, 8, 12, 16, 24 of 32 pagina’s, meerdere katerns achter elkaar vormen het boekblok/binnenwerk van een boek/brochure.

Klein kapitalen: Speciaal ontworpen hoofdletters ter grootte van de kleine letters van het zetwerk, in de regel in verhouding iets breder en met dikkere stokken als de hoofdletters van het zelfde korps.

Kopij: De te zetten teksten, aanleveren, getypt en voorzien van aanwijzingen m.b.t. kapitaal zetten, vet-zetten, cursief, enz.

Kopregels/kopjes: De regels die boven aan een verhaal of hoofdstuk staan.

Kopwit: De wit marge aan de bovenzijde van de zetspiegel.

Korps: De lettergrootte + de normale regelafstand.

Kruisslag vouwen: De tweede vouw gaat dwars op de eerste vouw.

Laatste proef: De versie van het zetsel dat als laatste door de klant is nagelezen en waar deze akkoord voor gegeven heeft.

Lay-out: Schets/ontwerp over hoe een pagina eruit moet zien (stramien).

Laten lijnen: Er voor zorgen dat tekst en beeld op één lijn staan of een haakse hoek maken met elkaar.

Leesbaar positief/negatief film: Een film waarmee men het leesbare beeld aan de bovenkant (siegt-zijde) weg kan krassen

Ligaturen: Combinaties van meerdere letters die met elkaar verbonden zijn, zoals, ae, ij, ff, fi, fl, enz.. De letters zijn afgespatieerd tot ze over/tegen elkaar staan.

Lithografie: Het van werktekeningen en foto’s schone films (litho’s) maken.

M.C.-papier: (machine coated) Papier voorzien van een strijklaag, gesatineerd, halfmat of ‘silk’ en mat. o.a. reclamedrukwerk, tijdschriften.

Marges: Wit ruimte(n) buiten de zetspiegel van een pagina.

Modificatie: Het vervormen van het letterbeeld. Bijv. cursiveren, versmallen, verbreden, enz.

Nummeren: Het drukwerk per exemplaar voorzien van een oplopend nummer.

Oblong: Liggend formaat, de rug van de brochure is kleiner als de zijden.

Onderkast: De kleine letters werden vroeger in de letterkasten (loodzetsel) in het onderste gedeelte opgeborgen, vandaar de term onderkast.

Opmaken: Het compleet maken van pagina’s; tekst wordt via het beeldscherm op de juiste stand gezet en beeldmateriaal wordt op de juiste plaats geplakt (via papiermontage), hiervan krijgt men en opgemaakte proef.

Persing: Met een cilinder in de papierfabriek aangebracht motief, geperst. bv. korrel-, hamer-, linnenpersing.

Persmerk: Tekening in papier, die bij doorvallend licht, soms ook bij opvallend licht, scherp afgetekend zichtbaar wordt. Wordt aangebracht na de perspartij. Is een imitatie van het watermerk.

PMS: Pantone Matching System, een universeel kleuren systeem voor drukinkten, wordt in de gehele GrafiMedia Branche gebruikt.

Prägen/pregen: Een vorm van blinddruk, waarbij het beeld verdiept of verhoogd in het papier wordt gedrukt.

Prepress: Al het voorbereidende werk, van zetten tot films maken, voor dat iets gedrukt kan worden.

Rasteren: Het halftoonbeeld van een foto met behulp van een camera of scanner omzetten in puntjes zodat het gedrukt kan worden.

Rasterliniatuur: De fijnheid van een raster wordt vermeldt in lijnen per cm.(l/cm), lijnen per Inch of dots per inch (dpi).
Afhankelijk van de druktechniek en het te bedrukken oppervlak. In Offset gebruikt men meestal raster 60 l/cm. en in zeefdruk is raster 40 l/cm. het maximum. Voor iedere papiersoort bestaat een optimale lineatuur, voor krantenpapier is dat 30 l/cm., voor offsetpapier 54 l/cm. en MC papier 60 l/cm.

Riem: Pak van identieke vellen papier. Inhoud is afhankelijk van het gramgewicht. Bijvoorbeeld 80 g/m2 = 500 vel per riem.

Rillen: Een groef in papier of karton aanbrengen zodat het daarlangs makkelijk en recht gevouwen kan worden.

Romein: niet-cursief (dus gewoon ‘rechtop’).

Rugwit: De witmarge tussen de zetspiegel en de rug.

Satineren: Het doorvoeren van een papierbaan door een satineerkalander met als doel het oppervlak van het papier te effenen en het realiseren van glans.

Scannen: Door middel van licht wordt een foto of dia, lijn voor lijn afgetast, daarna verdeeld in de vier drukkleuren (cyaan, magenta, geel en zwart) en op film lijn na lijn inbelicht, gerasterd en al.

Schreefloos: De schreven van een letter zijn de boven en onder streepjes, zitten deze er niet aan dan spreekt men over schreefloze letters.

Schrijfpapier: Houtvrij of lichthouthoudend papier, gesatineerd, wit of licht gekleurd, goed gelijmd, aan beide zijde goed beschrijfbaar; gelijkmatig van doorzicht en opaak.

Schutblad: D.m.v. de schutbladen voor en achter wordt het binnenwerk (het boekblok) door de binder aan het boek verbonden. Ze zijn meestal van gekleurd papier of voorzien van een illustratie.

Slippen/strokenproef: Proef van het zetsel uitgedraaid in lange stroken voordat de pagina’s opgemaakt zijn. Bijv. bij kranten.

Smoutwerk: Formulieren en handelsdrukwerk.

Spatiëring: de optie om de horizontale ruimte tussen lettertekens te vergroten of te verkleinen.

Staartpagina’s: De laatste pagina van een hoofdstuk.

Staartwit: De witmarge tussen de zetspiegel en de onderkant.

Stok (letter) hoogte: De grootte van de letter, van voet tot schreef.

Stramien: Vastgelegde afspraken in een lay-out over de zetbreedte, zetspiegel, paginering enz. van een boek of krant (dmv. lijnen). Waardoor de vormgever meer éénheid en samenhang aanbrengt.

Uitdraaien: De door een zetter ingetikte en opgemaakte teksten worden m.b.v. een belichter op fotografisch papier of film belicht. Bij de elektronische prepress geldt dit ook voor complete pagina’s.

Uitlijnen: Uitmeten, zorgen dat alle tekst en plaatjes op één lijn en haaks staan. (stramien maken).

Uitslaander: Een pagina die buiten het boekformaat open gevouwen wordt.

Uitvullen: Teksten in blokvorm worden steeds per regel uitgevuld; de witruimten (spaties) tussen de woorden worden verminderd of vergroot om de juiste lengte te krijgen.

Verlooptint: Een tint/beeld dat van licht naar donker verloopt.

Vrije regelval: De tekst in kolommen gezet maar niet uitgevuld.

Vuile proef: Huiscorrectie, eerste proef.

Watermerk: Figuur dat bij doorzicht in vervloeiende lijnen zichtbaar wordt; in de natte papierbaan aangebracht.

X-hoogte: De hoogte van de kleine letters zonder stok of staart.

Zetspiegel: De ruimte waarin de tekst wordt gezet.

Zetten: Het intikken van de aangeleverde teksten en deze voorzien van commando’s zodat deze in het juiste lettertype , korps en op de juiste stand kan worden uitgedraaid.

Zijwit: De witmarge tussen de zetspiegel en de zijkant van de pagina die aangesneden wordt.

 

Bronnen: EPO | Groene boekje UvA-terminologie | Basic Design

Martijn Hemminga

Auteur:

Martijn Hemminga is hoofdredacteur en oprichter van Communicatiecoach.com. In 2001 heeft hij Communicatiecoach.com opgericht met als doel communicatieprofessionals handvatten te geven voor het uitoefenen van hun vak. Vanuit zijn communicatie-achtergrond heeft hij de laatste jaren zich gespecialiseerd op het gebied van arbeidsmarktcommunicatie.

Deze auteur heeft 44 artikelen geplaatst.

Geef een reactie

Additionele artikelen van ‘Media’